Selecteer een pagina

BELGIUM, MON AMOUR

WERKPRINTS

 

 

Tot en met 31 december 2030 flaneert fotograaf Geert Huysman door België, op zoek naar belgitudes, belgicismen en al wat zweemt naar vaderland. De resultaten van zijn onderzoek worden minstens 1 keer per jaar gepubliceerd in het DEBELGEN magazine. In 2031 verschijnt tot slot het boek ‘Belgium Mon amour’

De flauwe stank van wanhoop

Koksijde (2017)

Lang geleden dat ik nog eens in een van die ben binnen gestapt. Decennia. Ik herinner me het onophoudelijke gedruis en geping van machines.

Discomuziek. En het gevoel nooit genoeg muntstukken te hebben.

Het stonk er altijd licht naar wanhoop.

GeHa

Khon-Ek Hon-Wé

Sta ik gisteren aan te schuiven in de Delhaize , ergens in het verre westen van dit land. Hoor ik de ene kassierster naar de andere roepen: Khon-ek hon-wé!

Ik onder de indruk. Ik kom hier al jaren. Heb mijn bankkaart al vaker bij mevrouw in de gleuf gestoken. Nooit geweten dat ze Japans sprak. Mooie taal, wel.

Terwijl ik naar buiten stap, proef ik de woorden op mijn tong. Khon-ek hon-wé. Wat zou het betekenen?, vraag ik aan K.  Verbaasd kijkt ze me aan. Dat is gewoon West-Vlaams voor Ik zal wel gaan, zegt ze. Dat verstaat iedereen toch?

Beetje beschaamd schuifel ik verder.

 

Nog twee keer slapen

Een man op het strand. Niet meer dan een schim in tegenlicht. Hij wuift. Naar zijn vrouw. Een vriend. Zijn hond.

Naar zijn kleinkind, misschien. Zo’n felle springer, die ergens buiten beeld gillend door het zand rolt. Kijk naar mij! Kijk naar mij, roept die kleine. Zoals kinderen vaak doen. De man kijkt. En wuift. Er hangt een zekere vermoeidheid over hem. Alsof hij die ochtend veel te vroeg wakker is geworden. Kleinkinderen en nachtrust…

Nog twee keer slapen, denkt de man. Dan gaat de springer weer naar huis.

Als het eten maar goed is

Waar het naartoe gaat deze zomer? Portugal, zeg ik. Enige fierheid in de stem. Omdat het beter klinkt dan Torremolinos. En omdat ik er nog nooit eerder geweest ben en er dus naar uitkijk.

Tja, zegt hij. Tja…

Mooi land, vriendelijke mensen, zegt hij. Maar als hij heel eerlijk is een beetje te mainstream voor hem. Die plekken waar letterlijk iedereen naartoe gaat, hij heeft er zijn buik van vol.  Plat  massatoerisme, daar krijg je toch de kriebels van? Of ik al eens naar Kos ben geweest? Neen? Wel, dat is geen eiland meer. Dat is één langgerekte winkelstraat. Prima, als je een T-shirt wil kopen met het opschrift I don’t need Google, my wife knows everything. Maar het echte Griekenland? Neen, dan kijk je beter naar het nieuws.

Zelf houdt hij het liever wat alternatiever, zegt hij. Beetje avontuurlijker ook. In het voorjaar is hij in zijn eentje door Zuid-Afrika getrokken. Hoe intens was dat! En dan die voettocht doorheen de Canadese bossen vorig jaar. Dat is pas een herinnering om te koesteren! Begin november vertrekt hij opnieuw. Naar Spitsbergen. Zo’n sneeuwscootersafari schijnt heel pittig te zijn.  En je hebt natuurlijk pas echt geleefd als je het noorderlicht hebt gezien. Dat spreekt voor zich.

Het blijft even stil. Ach, zegt hij ten slotte. Maar Portugal is ook niet mis, hoor. Zolang de zon maar schijnt, nietwaar?

Precies, zeg ik. En als het eten maar goed is!

Hij zucht. Zo kort genoeg, meneer?

In dit apenland

“Is dat uw wagen, meneer?”  De ober wijst naar de Landrover net voor het etablissement. Ernaast: een politieagent.  “Die gaat u opschrijven, vrees ik.”

De man aan het tafeltje springt recht. “Dju!”  Zonder zijn jas aan te trekken, rent hij naar buiten. De ober kijkt hem hoofdschuddend na. “Je zou denken dat die flikken niets beters te doen hebben.”

Even later komt de man komt met uitgestoken hand het café weer binnen gerend. “Portefeuille”, zegt hij tegen zijn vrouw.

“Boete, meneer?”, vraagt de ober.

De man knikt somber. “Die klootzak zijn dag is goed”, bromt hij. “Weet je wat hij zei? Dat ik erom gevraagd heb. Omdat de wagen net onder een parkeerverbodsbord staat.”

“Een echte schande”, zegt de ober meelevend.

Enkele minuten later is de man weer terug. “Autosleutels!”, briest hij rood aangelopen tegen zijn wederhelft.  En tegen de ober: “Nu moet ik mijn wagen nog verplaatsen ook!”

“Meent u dat?”, vraagt de ober verontwaardigd.

“Hij zei dat hij me anders met plezier een tweede keer op de bon zou slingeren.”

“Maar allez, dat kan toch niet?”

“Toch wel”, zegt de man. “In dit apenland kan alles.”

Met de armen over de borst gevouwen, blijft de ober de gebeurtenissen op de stoep nog even volgen. Dan buigt hij zich voorover, naar de vrouw van de overtreder, en zegt vol gevoel: “Ik warm uw man zijn wafel straks wel weer op, hoor.”

 

[GeHa]

Lach, vampier

H ij is haar vrolijke vampier. Elke avond, na zonsondergang, verschijnselt hij waanzinnig gillend in haar kamertje. Met het donsdeken tot net onder de neus, ligt ze hem op te wachten. “Neen, ik wil niet”, zegt ze, en zelfs het licht van de witte maan deinst terug voor de zilveren kracht van haar blik.

Maar ze bedoelt ja. Altijd bedoelt ze ja.

Hij duikt naar beneden, de slagtanden ontbloot. Graaft zich in met zijn vampierensnuit, tot aan dat zachte, warme plekje onderaan haar hals. Daar laaft hij zich aan haar geur en haar lach. “Stop”, beveelt ze, maar ze bedoelt ga door.

Altijd bedoelt ze dat.

Echo’s van haar geschater druipen in dikke, taaie druppels van de witte maan. Haar hielen, hard en eeltig na al die uren balletklas, slaan een wilde roffel op de matras. “Hou op!”, eist ze. Maar hij is nog lang niet voldaan. Als een drenkeling klampt hij zich vast aan die geur en die lach. Tot hij haar lenige lijf niet meer in bedwang kan houden en ze zich zegevierend weet los te rukken.

“Ha!”, triomfeert ze, en zelfs de witte maan wordt even verblind door het zilver in haar blik.

Achteraf slaat ze haar armen om zijn nek en vraagt hem een verhaaltje te vertellen. “Daar is het nu te laat voor”, zegt hij. “Je moest eigenlijk allang liggen snurken.”

“Had jij me maar niet opnieuw klaarwakker moeten maken.”

“Wij lachvampieren kunnen niet overleven zonder onze dagelijkse portie vrolijkheid”, zegt hij. “Daar is niets aan te doen.”

“Morgen niet”, roept ze hem na als hij de kamer uitloopt. “Morgen wil ik het echt niet.”

Maar ze bedoelt ja, weet hij. Altijd bedoelt ze ja.

Tekst & Foto: Geert Huysman

De homo touristicus* in een wolk van schubben en vinnen

* zeer goed af te richten

homo touristicus

Iemand grijpt me plots bij de schouders. Wat ik aan het doen ben, sist een zachte tenor – licht trillend van beleefde paniek – me in het oor.

Het onvermijdelijke my friend, de aanspreektitel van alle mannelijke toeristen hier in Egypte, volgt slechts na enige aarzeling. Als om aan te geven dat mijn relatie met de spreker, hoewel misschien nog niet écht vertroebeld, toch al enigszins onder druk staat.

Ik draai me om. Een verdwaalde zonnestraal wordt weerkaatst in dikke brillenglazen. “Je neemt foto’s”, zegt F., onze gids, beschuldigend. “Foto’s!” Hij spuwt het woord uit alsof het om iets vies gaat, maar de glimlach om zijn lippen wijkt geen millimeter.

“Dat is nu eenmaal wat wij fotografen doen”, leg ik uit. “Foto’s nemen.”

“Ja, maar waarvan?”, wil hij weten. “Dàt is de vraag… my friend. “

Ik richt het objectief van mijn spiegelreflex naar het haventje. “Daarvan”, zeg ik.

“Aha”, zegt hij, de opluchting in zijn ogen onmiskenbaar. “Bootjes.” Hij knikt goedkeurend. “Prima. Bootjes zijn goed.”

“Blij dat we het met elkaar eens zijn”, zeg ik.

Plots staat hij naast me. Een bezwete arm wordt om mijn schouders geslagen. “Zie je die rotswand daar?”

“Met die twee grotten?”, wil ik weten.

“Geen grotten”, zegt hij hoofdschuddend. “Fox holes. Begrijp je? Vossenholen.” Nog vòòr ik me in al mijn naïviteit kan afvragen of het werkelijk mogelijk is dat daar vossen wonen (woestijnvossen, misschien?) trekt hij me nog een stukje dichter tegen zich aan. “Military”, fluistert hij me in het oor. “Begrijp je?”

Dit keer versta ik hem wel degelijk. “Juist”, zeg ik met een samenzweerderig knikje.  “Bootjes goed, fox holes niet goed.”

“Zo is het”, zegt hij, breed grijnzend zijn rechterduim de lucht in stekend. Achter hem is een vrolijke bende Britse toeristen intussen druk de rotswand aan het fotograferen met hun smartphones.

Ik neem plaats op de boot en probeer de tiener af te wimpelen – hij kan niet veel ouder zijn dan 15 – die me een fotoreportage van deze prachtige dag samen probeert te verkopen. Neen zeggen is niet makkelijk hier aan de Rode Zee. Alsof het woord niet goed resoneert in Egyptische oren. Net als dat nog kortere woord één, trouwens. Zoals bijvoorbeeld in de zin: “Ik koop er één.” Die wordt steevast beantwoord met de vraag: “En met hoeveel kan ik je een plezier doen? Vijf? Zes?”

Het duurt even voor de jongeman overtuigd is van mijn gebrek aan belangstelling. Neen, het is echt niet nodig dat mijn ruige, mannelijke looks hier vandaag vereeuwigd worden, hoezeer ze hem ook aan George Clooney herinneren. En neen, ook K., de oudere zuster van mijn dochter (in familiale kring ook wel mijn vrouw genoemd), voelt niet meteen de behoefte aan een reeks digitale prints met inderhaast gephotoshopt oranje randje en in de rechter onderhoek de onheilspellende woorden “Greetings from the Red Sea”. We begrijpen dat het hem pijn doet, maar zelfs de tijdloze elegantie van het lettertype Brush Script zal ons niet van het tegendeel overtuigen.

Pas als de ober komt vragen wat ik wil drinken, druipt hij af. Ik bestel een koffie – zwart, geen suiker –  terwijl we langzaam het haventje uitvaren.  De uitbaters van de kleine winkeltjes op de pier (ons aan hen voorbij worstelen, had veel weg gehad van spitsroeden lopen) kijken ons somber na. Straks moeten we hen weer trotseren. Kom binnen, my friend, ik maak goede prijs voor je.

Gids F. verschijnt op het dek met een microfoon in de hand. Of we allemaal happy zijn?, wil hij weten.

K. ’s mond valt bijna open van verbazing. “Meent hij dat nou?”

Hij meent het. We zijn toch niet hardhorig, hé? Of we allemaal happy zijn? Hij blijft het maar herhalen, tot enkele aanwezigen een zwak yeah! produceren.

“Goed zo”, knikt hij tevreden.  “Ik ga jullie een woordje uitleg geven over het verloop van de dag.”

Terwijl ik van mijn koffie proef – hij smaakt verdacht veel naar thee met melk en suiker – legt hij ons uit dat we straks drie verschillende koraalriffen zullen aandoen.  Daar kunnen we naar hartenlust snorkelen en genieten van de rijke fauna en flora van de Rode Zee.

Hij begint aan een lange, met foto’s geïllustreerde, opsomming van alle vissensoorten die we gaan zien: rodezeewimpelvissen, gele koraalvlinders, rodezeedoktersvissen, clownvissen, tweebandanemoonvissen, keizersvissen, pauwoogkeizersvissen, geelstaartzeilvindoktervissen, enzovoort, enzovoort… Het zijn er zoveel dat de twijfel onmiddellijk toeslaat. Oké, er mogen dan officieel 1176 soorten vis in de Rode Zee leven, maar dàt allemaal tijdens een uitstap die, laten we eerlijk zijn, niet meer is dan een duurbetaalde tourist trap? Ik geloof er geen snars van. We gaan wat koraal zien, ja, daarvoor bezoeken we tenslotte ook koraalriffen, maar een documentaire van Jean-Jacques Cousteau? Ik dacht het niet.

“Laten we het hopen”, zegt K. bij wie vooral de uitleg over de koraalduivel (extreem giftig) en de murene (extreem agressief) is blijven hangen.

egype3

De ober wil weten of mijn thee soms niet lekker is. “Jawel,” zeg ik, “maar ik had eigenlijk koffie gevraagd. Zwart. Geen suiker.” Hij biedt uitvoerig zijn excuses aan en belooft meteen zijn vergissing recht te zetten. Terwijl hij wegloopt, valt mijn oog op de Britse toeristen van daarnet.  Eén van hen heeft haar smartphone op een dunne metalen stok  gemonteerd. “Cheese”, roept ze het toestel breed grijnzend toe.

“Huh?”, laat ik me verbaasd ontvallen.

“Selfiestick”, legt dochter S. uit.

“Een selfie wat?”

“En dat is dan fotograaf”, zegt ze met de ogen rollend.  Terwijl ik broed op een gevat antwoord,   drukt het gewicht mijner jaren plots net iets zwaarder op de schouders . Ik slaag er nog net in een opmerking over de jeugd van vandaag in te slikken.

De ober is terug met mijn koffie, nogmaals ootmoedig mijn vergiffenis afsmekend. “Geen probleem”, zeg ik en neem een slokje. Het blijkt opnieuw thee te zijn, dit keer mét melk en zònder suiker. “Lekker”, zeg ik. “Precies wat ik wou. Dank u zeer voor de moeite.”

“Geen moeite”, zegt hij gelukkig glimlachend.

“Elke dag iemand blij maken maken. Daar leef ik voor”, zeg ik tegen K., terwijl de ober – nu met extra veerkracht in zijn stap – benedendeks verdwijnt.

Ze snuift. “Je had gewoon het lef niet hem te zeggen dat hij zich wéér vergist had.”

“Neen, neen”, ontken ik koppig. “Elke dag iemand blij maken. Dàt is mijn missie.”

F. heeft weer zijn microfoon gegrepen. Of we klaar zijn om verbaasd te worden? Dit keer wordt er spontaan geyeahd! Als diersoort is de homo touristicus blijkbaar  zeer goed af te richten. Stralend van genoegen, kondigt F. aan dat we het eerste koraalrif hebben bereikt. Tijd om ons in een wetsuit te hijsen en de Rode Zee in te duiken.

Hoewel, dat laatste is misschien een te sierlijk werkwoord voor het onhandige geplons en geploeter dat volgt. Als een bende logge zeekoeien laten we ons het water in drijven. “Chance dat we nog parkeerplaats hebben gevonden”, zegt een West-Vlaamse stem (dezelfde die later op de dag, op weg terug naar het hotel, ineens “Kiek, ne cactus!” zal roepen).  Pas nu zie ik dat we hier niet alleen zijn. We liggen zij aan zij met een zestal andere, haast identieke, boten, die allemaal in zwart rubber gehulde Europeanen uitspuwen.

Als een van de laatsten sukkel ik het water in. Vijftig luidruchtige zwemmers om me heen.  Ik laat mijn hoofd onder water zinken en omhul me in donkergrijze stilte. Niets.

Voila! “, brom ik geïrriteerd doorheen mijn snorkel. “Wat had ik gezegd? Tourist trap!” Misschien  hadden we toch beter het Noordzeeaquarium in Oostende bezocht (daar zit het ook vol met West-Vlamingen).

Teleurgesteld vloekend doorploeg ik het water. En dan ineens, een paar tientallen centimeters voor me uit, flitst iets geels op. Een gele koraalvlinder! En dan nog een!  En nog één!

Voor ik het goed en wel besef, zwem ik midden in een wolk van fel gekleurde vissen, een ware regenboog van schubben en vinnen. Daar, een clownvis! (Nemo, hoor ik in de verte iemand roepen). En een trompetvis!  Hoe mooi zijn die!? Daar, een tweebandanemoonvis!  En die blauwe, hoe heten die, ook al weer? Onder mij intussen eindeloos uitgestrekte velden koraal.

De ongerepte schoonheid van dit alles (dát en het feit dat mijn snorkel even onder de waterlijn zakt) beneemt me de adem. De rijkdom van dit brokje natuur is niet in woorden te vatten. Nog nooit zoveel pracht gezien, en dat op een oppervlakte van slechts een paar tientallen vierkante meter. Nu begrijp ik waarom elk jaar duizenden toeristen naar hier afzakken om te snorkelen. Het gemak waarmee je jezelf hier kunt onderdompelen in tropische eye candy is ronduit verbazingwekkend. Euforisch proestend blijf ik nog minutenlang rond ploeteren, me  gulzig lavend aan die lawine van kleuren waaraan maar geen einde lijkt te komen.

egypte1

Als ik later de boot weer in klim, ben ik nog steeds met verstomming geslagen. K.  zit me reeds op te wachten. Met haar lippen vormt ze een geluidloze  ‘Wow!’. Ik knik. Dit was echt de moeite waard.

F. steekt zijn duim naar me op. “Mooi niet?”, roept hij me toe.

“Mooier dan die lelijke fox holes”, zeg ik.

Hij schatert het uit. “Wat je zegt, my friend.”

Die avond, terwijl de boot terug naar wal vaart, kan ik maar niet ophouden met glimlachen.

“Kan ik je nog iets brengen”, vraagt de ober, zijn gedienstige lijf een silhouet tegen de onderstaande zon.

“Thee met melk en suiker, alsjeblieft.”

“Slim”, zegt K. bewonderend.

“Niet?”, zeg ik. “Zeker weten dat ik nu een koffie krijg.”

Hij brengt me thee met melk en suiker.

© DEBELGEN.EU

Pin It on Pinterest