Het Tekstarchief bevat oudere reportages & interviews van de hand van Geert Huysman.

IJSBEER VOOR EEN DAG

Hoe gek moet je zijn om hartje winter een duik te nemen in een ijskoude zwemvijver? Uw reporter liet zich warm maken door een doorgewinterde ijsberin en ontdekte dat er wel degelijk zoiets bestaat als koudwatereuforie. Een betere high dan seks.

Een kille zaterdagochtend in december. “Geen tijd te verliezen”, roept iemand. “De opwarming is al begonnen.” Ik strand tussen een groepje vrouwen en mannen, allemaal vijftigers en zestigers, die verwoed gymnastiekoefeningen doen. Dit zijn de leden van de Deurnese IJsberen, pittige dames en stoere kerels die hun zwemwater het liefst ijs- en ijskoud hebben.  De kennismaking is kort, maar krachtig. “Vooruit, meedoen!” Een beetje stram buig ik door de knieën. Lang geleden dat ik nog eens gesport heb, besef ik naar adem snakkend.

Marianne, mijn begeleidster, spoort me aan om het tempo vol te houden. “Een goede opwarming is essentieel”, benadrukt ze. “Niemand mag hier in het water zonder zich eerst flink in het zweet te hebben gewerkt.”

Wannes vertelt me dat ik me hier tussen de échte ijsberen bevindt.  Wat wij hier doen, is niet te vergelijken met wat je ieder jaar op tv ziet.” Een paar duizend mensen die in gekke pakjes de zee in zwemmen, met het echte winterzwemmen heeft dat weinig te maken, legt hij me uit.

“Nu is het nog afzien, straks voel je je fantastisch”, zegt een vriendelijke dame. “Echt waar!”, verzekert ze me, als ze de sceptische blik in mijn ogen ziet.

Doet-ie het of doet-ie het niet?

De opwarmcoach laat ons ter plaatse hardlopen, de knieën hoog geheven. Heimelijk breng ik een hand naar mijn hart. Sinds gisterenavond voel ik daar een vage pijn. Inbeelding waarschijnlijk, maar zo’n koudwatershock, daar moet de tikker toch flink onder lijden?

Mijn nieuwe vrienden stellen me gerust. IJsberen is in principe niet gevaarlijk, tenzij je een hartkwaal hebt. Dan ga je best eerst bij de dokter langs vooraleer het water in te duiken.

Einde opwarming, begint van het  echte werk. Marianne duwt me een kleedhokje in.  Gekleed in weinig anders dan een badjas en winterbottines stap ik even later het inner sanctum binnen. Alleen toegang voor ijsberen, zegt het bord aan de ingang.

“Dat ding heeft me altijd geïntrigeerd”, vertelt Marianne. “Dertien jaar geleden heb ik mijn stoute schoenen aangetrokken en ben ik hier voor het eerst binnen gestapt.” Het winterzwemmen beviel haar meteen. Sindsdien blijft ze maar komen.

We zijn er. Voor mij ligt de zwemvijver van de Deurnese IJsberen, een omgebouwd openluchtzwembad.

“’t Is niet zo koud vandaag”, zegt een man die net uit het water komt. Hij grijpt een thermometer vast die in het water drijft: “Acht graden.”

“Pff, dat is bijna lauw”, doe ik stoer. Hij lacht. Weer die zeurende pijn in de hartstreek.

“Hou voorlopig je badjas aan”, raadt Marianne me aan. “Als je er klaar voor bent, niet aarzelen: meteen erin, anders koel je te snel af.”  Zelf geeft ze het goede voorbeeld. Zonder verpinken stapt ze het water in.

Ik word me pijnlijk bewust van de blikken in mijn richting. Doet-ie het of doet-ie het niet?, lijken de omstaanders zich af te vragen.  Mijn beurt, dus.

“Ik voel mijn hersenen ineenkrimpen. Over wat er onder de gordel gebeurt, durf ik zelfs niet na te denken”

Laat ik het maar bekennen: ik heb koudwatervrees.  Mijn idee van de hel is een stedelijk zwembad in al zijn gechloreerde kilheid. En toch zwem ik. Ik moet wel. Als vader van twee watergekke tieners kan ik het me niet permitteren om niet deel te nemen aan sporadisch zwembadvertier. In de loop der jaren heb ik daarvoor dan ook een eigen techniek ontwikkeld. Millimeter voor millimeter laat ik het rillende lijf in het water zakken, tot de schouders zich onder water bevinden en ik min of meer geacclimatiseerd ben. Het hele proces duurt doorgaans zo’n tien minuten en gaat gepaard met een rist scheldwoorden waar de gemiddelde Tourettepatiënt een puntje kan aan zuigen.

Maar vandaag moet het anders: schouders achteruit, opgeheven hoofd, rennen en plons. Afgaan en public is geen optie. Ik probeer diep adem te halen om de zenuwen te kalmeren, en begin prompt te hyperventileren. Genoeg! Ik stap naar het water. Onvervaard. Springen ga ik!

Maar aan de rand verval ik in oude gewoonten: voorzichtig stop ik een grote teen in het water om de temperatuur te meten. Instant gevoelloosheid. Als ik nu mijn voet terugtrek, stap ik er nooit meer in. Ik stort me naar voren, struikel het water in en begin aan een stuntelige schoolslag.

Ik krijs, ik vloek, ik tier

Woorden kunnen niet omschrijven hoe koud het water aanvoelt. Het is alsof mijn huid wordt afgestroopt, en iemand ijskristallen in de bloederige wonde schuurt. Een bonkende hoofdpijn spreidt zich van mijn neusbrug naar de achterkant van mijn schedel. Ik voel mijn hersenen ineenkrimpen. Over wat er onder de gordel gebeurt, durf ik zelf niet na te denken. Ik vloek, ik krijs, ik tier. Ik scheld.

Naar adem happend, spartel ik in het rond. Ik moet blijven bewegen. Bewegen is warmte, denk ik. Maar de kou wordt alleen maar erger. Ik kijk achterom. Vijf, zes meter, meer heb ik niet afgelegd. Het moet maar genoeg zijn. Ik hou het niet meer uit. Strompelend vlucht ik het water uit. Mijn eerste ijsberenduik heeft 20 seconden geduurd.

“Nu komt het leukste”, zegt iemand. Ik begrijp het niet. Het leukste? Ik wil hier weg, uren onder een warme douche staan, en nooit meer terugkeren. Maar nog voor ik mijn handdoek bereik, voel ik ze: de ijsbereneuforie. Mijn huid begint prettig te tintelen, mijn koppijn is op slag verdwenen en ineens heb ik het helemaal niet koud meer. En, nòg opmerkelijker, ik voel me gewoon fantastisch. Ik kan de hele wereld aan. Een brede grijns verspreidt zich over mijn gezicht. Hanerig paradeer ik  in het rond. Heeft u me gezien, mevrouw? Mijn handdoek heb ik niet meer nodig. Ik droog zo wel in de winterzon.

Dit is waar ze het hier allemaal voor doen: een natuurlijk high die nergens mee te vergelijken is. Beter dan seks – nou ja, bijna – en de afterglow duurt langer. Marianne, twee voeten nog in het water, kijkt me goedkeurend aan.  “Jij komt hier zeker nog terug”, knipoogt ze.

Ik slaak nog één laatste kreet. Een triomfantelijk gebrul dat vertrekt vanuit de diepste krochten van mijn longen. Ik ben ijsbeer!

Tekst:  Geert Huysman
Foto:  Pixabay

Oorspronkelijk gepubliceerd in:  Milo Magazine

Pin It on Pinterest

Share This