Selecteer een pagina

TUSSEN BELGISCHE COWBOYS & INDIANEN

Meer bepaald in de Far West

Tekst & Foto’sGeert Huysman

“Een spel? Hij kijkt me bedachtzaam aan. “Tja, deels wel, natuurlijk. En het is fun, laat dat duidelijk zijn. Maar tegelijk is het ook veel meer dan dat.”  Mijn nieuwe vriend meent het bloedserieus: deep down voelt hij zich cowboy.

Bijna elk weekend vind je hem hier terug,  Stetson zwierig op het achterhoofd gedrukt, een Colt 45 duidelijk zichtbaar in de holster. “Dit is wie ik echt ben”, zegt hij.

Ik hang aan de toog in saloon Wichita Ranch in Meulebeke. Niet bepaald het verre westen, maar toch een eind West-Vlaanderen in. Meer afstand tot het leven van alledag hebben de aanwezigen hier duidelijk niet nodig.

Wichita Ranch, Meulebeke

Foto: Geert Huysman

Mijn buurman drinkt zijn glas leeg en schopt met een zware laars tegen een barkruk.  “Nog ene?” De bartender, die er net zo uitziet als hij, schuift ons twee glazen bier toe. “Neen, ik meen het”, zegt hij, met een goedkeurende blik de zaal achter zich opnemend. Het café zit tot de nok vol. Alle klanten – behalve ik –  dragen een 19de eeuwse westernoutfit.

Ik ben omsingeld door cowboys, trappers en indianen. Opvallend veel soldaten in uniform ook, zuiderlingen én noorderlingen. Ze wisselen grapjes uit en klinken gemoedelijk op elkaars gezondheid. Hier in the town of Meulebeke heeft de Amerikaanse burgeroorlog alvast geen schisma veroorzaakt. “Als je het mij vraagt, ben ik meer dan een eeuw te laat geboren”, vertrouwt mijn nieuwe vriend me nog toe. Dan wordt hij opgeslokt door de massa.  Het zijn woorden die ik de komende weken nog vaker zal horen.

Alles moet kloppen, tot in het kleinste detail. Die ene man met een  ‘Hollywoodholster’ wordt misprijzend aangekeken

De Wichita Ranch is mijn eerste stop in mijn tocht doorheen de Belgische Far West. Ik ben hier om kennis te maken met de Arizona Rangers, een kleine groep liefhebbers van het Amerikaanse Westen. Het onthaal is hartverwarmend (en overgoten met meer dan één glas bier).

De Rangers zijn één van het handvol clubs in ons land die geobsedeerd zijn door het dagelijkse leven in de Far West.  Wat zij doen is deels re-enactement,  het uitbeelden van een historische periode, maar tegelijk ook veel meer dan dat.  Want deze mensen nemen hun liefhebberij wel héél  ernstig.

Een avondlijke zangstonde tijdens het Far West-kamp in Libin.

Foto: Geert Huysman

“Als je echt wilt begrijpen wat we doen,” maakt John (zijn westernnaam, ofcourse) me duidelijk, “moet je met ons op kamp gaan.”  Ik word enthousiast uitgenodigd door Harry en Jennifer, de bezielers van de Rangers. Dankzij hen krijg ik de komende maanden toegang tot enkele tentenkampen van Belgische Westernclubs. De leden verzamelen er – in bossen en afgehuurde weiden –  om te doen wat ze het liefste doen: zo authentiek mogelijk leven als cowboys en indianen. Niet ten behoeve van een publiek, maar gewoon voor zichzelf. En jawel, zonder  elektriciteit of lopend water  (al zijn er tot mijn grote opluchting wel toiletten ter beschikking).

Enkele weekends lang deel ik lief en leed met de groep. Ik maak kennis met loodgieters en bedienden, onderwijzers en dakwerkers, garagisten en fabrieksarbeiders. In de microkosmos van de club dragen ze allemaal een andere naam: Jan is Hank, Jean-Pierre is Pete, Joris wordt Witte Veer genoemd.

Op zaterdag en zondag zweren ze het moderne leven heel even af en vervellen ze in hun Far West alter ego. Ze stoken kampvuurtjes, ploegen door de modder op mocassins of cowboylaarzen, trainen zich in tomahawkwerpen, nemen deel aan legeroefeningen en schieten losse flodders af met hun geweren.

Allemaal hebben ze de grootste zorg besteed aan hun outfit en slaapplaats. Iemand toont me trots de tipi, waaraan hij maandenlang heeft gewerkt. Alleen al het vervoer van de loodzware palen is telkens weer een uitdaging, maar een kampweekend overslaan is voor hem geen optie. Want als hij er zelf had mogen over beslissen, dan was hij 150 jaar geleden echt ergens op een Noord-Amerikaanse prairie geboren. Naar hier komen is voor hem the next best thing.  Maar dan moet alles wel kloppen, tot in het kleinste detail. GSM’s, laptops en andere getuigen van de moderne wereld worden zorgvuldig verborgen.

Die ene man die een Hollywoodholster op de heup draagt, wordt misprijzend nagekeken. Het wereldje is zo verscheiden als er deelnemers zijn. Ik ontmoet gezinnen die zich en bloc op het indianisme hebben gestort, gescheiden vaders die hier alleen maar zijn omdat hun zoontje zo dol is op cowboys en indianen, en eenzame trappers die zich zo diep hebben ingegraven in hun nieuwe persoonlijkheid dat niemand zich nog hun echte naam herinnert. Allemaal hebben ze hun eigen, soms aangrijpende, verhaal.

Haast in tranen vertelt een vrouw me hoe ze hier, in deze voor buitenstaanders bizarre omgeving, voor het eerst het gevoel van veiligheid ervaart dat ze haar hele leven heeft moeten ontberen. Een ander vertelt me over de ziekte die hij al van kindsbeen heeft, en hoe hij zich hier de man kan voelen die hij van maandag tot vrijdag niet kan zijn.

Hoe vreemd ook, eenmaal je er middenin zit, kan je niet anders dan je koesteren in de gezelligheid van deze lokale versie van de Far West. Iedereen kent er iedereen. Het dagelijkse leven – hoe onecht misschien ook – is er verleidelijk simpel. Vuurtje stoken, eten maken, een glas drinken met vrienden en ’s avonds de onvermijdelijke sing-a-long.

Misschien dat we allemaal af en toe een time-out in dit kleine universum zouden kunnen gebruiken…

Pin It on Pinterest

Share This